De weg van de stilte

Regel van Sint-Benedictus Hoofdstuk 4,48-55

  1. Altijd waken over zijn levenswandel.

  2. Overtuigd zijn, dat God ons overal ziet.

  3. Slechte gedachten die in het hart opkomen, onmiddellijk tegen Christus te pletter slaan en ze aan de geestelijke vader bekend maken.

  4. Zijn mond behoeden voor slechte taal.

  5. Er niet van houden om veel te spreken.

  6. Niet praten óm te praten of om de lachlust op te wekken.

  7. Er niet van houden om voortdurend of luidruchtig te lachen.

  8. Graag luisteren naar een lezing, die onze heiliging ten goede komt.

"Alleen de mens die kan zwijgen is in staat tot offerende liefde, want door zich te verinwendigen heeft hij zijn passies overwonnen en is hij zichzelf geworden. Zwijgend moet de mens tegenover zichzelf en tegenover de dingen staan. Het stilzwijgen maakt het hem mogelijk een ogenblik halt te houden en zijn aandacht los te maken uit een leven van genieting waarin hij enkel zichzelf zoekt. Aldus ontdekt hij tenslotte de toegang tot de vrijheid en tot de innerlijke diepten van zijn eigen ziel. Slechts wanneer hij de gebieden van de ziel en de inwendige persoon bereiken kan; kan hij ook met anderen in dialoog treden van ziel tot ziel. Door in zichzelf te keren leert hij eveneens de geheime toegang kennen tot de intieme innerlijkheid van de ander. Het spreken dat uit dit zwijgen ontstaat, is dialoog, is ontmoeting, is uitnodigende liefde ver boven en buiten alle ijdel gepraat, holle woorden en kwetsende kritiek.
Het spreken dat uit de stilte van het zwijgen ontspruit, is de vrucht van een zeer persoonlijke innerlijkheid, en alleen hierin is het mogelijk de ander te ontmoeten."
(G.R. Moens, Le Silence Religieux. Vie spirituelle sept. 1964). 

"Om beluisterd te kunnen worden heeft het evangelie die context van stilte nodig die de mens doet inkeren in zijn geest. Dan alleen kan de ziel Gods Stem herkennen, dan alleen kan zij, diep in zichzelf, vinden wat zij zoekt."
(Maurice Zundel, L'Évangile intérieur, geciteerd in Vuren in de woestijn deel 2 Stilte, p. 242).