Leef met anderen
Regel van Sint-Benedictus hoofdstuk 72: 
Zoals er een slechte ijver is - vrucht van verbittering -, die van God verwijdert en naar de hel voert,
zo is er ook een goede ijver, die van de ondeugd verwijdert en naar God voert en naar het eeuwig leven.
Op deze ijver moeten de monniken zich met de vurigste liefde toeleggen; dat wil zeggen:
"zij moeten wedijveren in respect voor elkaar";
zij moeten elkanders zwakheden, lichamelijke zowel als morele met het grootste geduld verdragen;
om strijd moeten zij elkaar gehoorzaamheid betonen;
niemand zoeke wat hij voor zichzelf voordelig acht, maar veeleer wat goed is voor de ander.
Op onbaatzuchtige wijze leggen zij zich toe op de broederliefde.
In liefde vrezen zij God.
Hun abt beminnen zij met een oprechte en nederige genegenheid.
Volstrekt niets stellen zij boven Christus,
die ons allen tezamen tot het eeuwig leven moge geleiden.
"Zoals men ziet, berust de echte broederlijke gemeenschap niet allereerst op het gevoel. Zoals het huis dat op de rots gebouwd is, is zij gegrond op Jezus en het woord Gods. Wil dat zeggen dat het gevoel geen rol speelt? Volstrekt niet, maar het gevoel komt later, als een bloem of als een vrucht aan de boom.Het is niet de wortel van de boom. Als wij een team, een gemeenschap opbouwen op de vreugde "ons met elkaar goed te voelen", als in onze gesprekken woorden als 'begrepen worden', 'in vertrouwen', 'toegeven', 'ik wil liever geen oordeel geven', te vaak voorkomen, zal het team steeds wankel staan en dan tot een zorg worden die ons zozeer in beslag zal nemen, dat er voor niemand meer tijd en gelegenheid overblijft iets anders te doen. Wordt de gemeenschap daarentegen gebouwd op de wil om de Heer aanwezig te doen zijn en zich dienovereenkomstig te gedragen, dan zal het overige vanzelf komen." (J. Loew, Ihr sollt meine Jünger sein, Freiburg, 1978, p. 152).
"Men moet de genade van Jezus Christus in de zielen en de verscheidenheid van iedere persoon eerbiedigen... Iedereen moet haar eigen taak en haar ambt behartigen, anders wordt het een warboel." (Mechtildis van het heilig Sacrament, De bron begint te zingen, p. 91).